Artikelen

Die pet past ook een moslima

Dat men zich binnen de Amsterdamse politietop zorgen maakt over de aansluiting van het korps van dienders bij de samenleving, valt te begrijpen. Niet alleen verkeert de politie door eigen toedoen al vele jaren in een uitzichtloze crisis, maar tegelijkertijd telt de stad net als Rotterdam, Utrecht en nog zo wat plaatsen omvangrijke groepen allochtonen van wie een zorgwekkend groot deel al dan niet uit eigen vrije wil in een isolement is geraakt en weinig tot geen sociale en culturele contacten buiten de eigen groep onderhoudt. Dat is in veel opzichten een probleem, maar zeker ook als het gaat om de greep die de politie op die groepen heeft.

Eén van ons

Om effectief zijn beschermende en regulerende taken te kunnen uitvoeren zonder in brute repressie te vervallen – een kunst op zich – moet de politieagent door de bevolking in hoge mate als “een van ons” geaccepteerd worden. Om te begrijpen hoe belangrijk dat is, moet u zich maar even voorstellen hoe u zich voelt als u in een of ander buitenland, al is het maar België of Duitsland, zelf met de politie te maken krijgt. Zelfs als het om niet meer gaat dan een suffe verkeerscontrole, is het altijd toch nét even gespannener, voel je je altijd nét iets onzekerder dan wanneer zoiets je thuis in eigen land gebeurt. Je bent ook nét iets minder geneigd om agenten iets te vertellen of om hun hulp in te roepen. Hoe groter de afstand die je voelt, hoe minder je ze vertrouwt en hoe minder je bereid bent om actief mee te werken, bijvoorbeeld als getuige van een ongeluk.

Het sociale isolement van veel allochtonen blijkt zich ook uit te strekken tot een gebrek aan belangstelling voor een baan bij de politie. Ook dat is zorgelijk, want het wijst erop dat allochtonen zich daadwerkelijk verder dan gemiddeld af voelen staan van de staat en de politie, die daarvan bij uitstek de belichaming is. Het antwoord daarop van de politie (en de overheid in het algemeen) is al sinds jaar en dag om politiebanen voor allochtonen extra aantrekkelijk te maken door speciale wervingscampagnes en vormen van positieve discriminatie. En nu ook al die lokkertjes geen resultaat blijken op te leveren, neemt de Amsterdamse politietop zijn toevlucht tot het advies van diversiteitsdirecteur Fatima Elatik, een erkend zaakwaarneemster van het islamitische volksdeel, om islamitische agentes toe te staan hoofddoeken te dragen. Alleen zo kunnen zij immers zonder hun religieuze overtuigingen geweld aan te doen bij de politie werken, stelt de Amsterdamse commissaris Aalbersberg.

Rechtvaardigheidsgevoel

Dat specifieke wervingscampagnes en voorkeursbehandelingen geen resultaat opleveren, ligt eigenlijk wel voor de hand. De politie is een gevoelig, sterk hiërarchisch apparaat dat uit zijn aard in meerderheid bovengemiddeld gezagsgetrouwe, bovengemiddeld precieze en ietwat rechtlijnige mensen aantrekt met een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel. Dat moet ook. Maar de keerzijde is dat ook het geringste vermoeden van voortrekkerij onder collega’s genadeloos wordt afgestraft, met alle achterklap en pesterijen van dien.

Om diezelfde redenen heeft een politiekorps een betrekkelijk besloten karakter. Politiemensen voelen zich deel van een elite met strikte regels ten aanzien van wie er wel en niet bij hoort en hoe men zich al dan niet behoort te gedragen. Er heerst een sterke sociale controle en een zekere mate van stereotype groepsdenken. Dat zet het korps op enige afstand van de “burgermaatschappij”, wat door het gewelddadige aspect van het politiewerk, de hardhandige kant van de handhaving van recht en orde, nog versterkt wordt.

Hill Street Blues

Een mooie illustratie daarvan was de in de jaren tachtig van de vorige eeuw te zien in de destijds hypermoderne, sterker dan ooit tevoren op de dagelijkse werkelijkheid geënte, sociaal bewogen Amerikaanse politieserie Hill Street Blues. Elke aflevering begon met het ochtendappel op het fictieve bureau Hill Street in een achterstandswijk van een naamloze stad, dat gedurende het eerste seizoen door de dienstdoende brigadier met de beste bedoelingen werd afgesloten met “Let’s get out there, and let’s do it to them before they do it to us!” Dat schoot de politiek correcte buitenwacht in het verkeerde keelgat, zodat dezelfde brigadier vanaf seizoen twee vaderlijk maande: “And hey: let’s be careful out there!” Dat laatste klonk minder cru, maar liet onderhuids even goed zien hoe agenten onvermijdelijk voelen dat ze in functie meer met out there, de burgermaatschappij, “omgaan” dan dat ze daarvan deel uitmaken.

Waardenkaders

Merkwaardig genoeg lijkt de politie als maatschappelijke groepering wel wat op de eerder genoemde problematische allochtone groepen. Ook die hebben immers een gesloten karakter met een sterke hiërarchie (broers, vaders, familieoudsten, imams), dwingende vormen van groepsdenken en een verstikkende sociale controle – dat zien we bijvoorbeeld aan hoe de tweede en derde generaties zich ontwikkelen. Toch accordeert zo’n allochtone achtergrond slecht met de mores van het korps, omdat de normen- en waardenkaders van islamitische groepen botsen met die welke bij de politie gelden.

Het probleem is dat de islam niet alleen een religie is maar ook uitdrukkelijk een eigen werelds gezag wil laten gelden. Islamiet ben je niet alleen in de moskee en thuis, maar overal en altijd. Dat is waarom hoofddoeken überhaupt een probleem vormen – niet voor de autochtone Nederlander, wel te verstaan, maar voor islamieten. Behalve de afstand die tot de maatschappij en de politie gevoeld wordt, hebben islamieten immers ook een loyaliteitsconflict in die zin, dat de islam een plek boven elk wereldlijk gezag opeist. Als je daarvan als ambitieuze moslim niet zelf al overtuigd bent, dan chanteren je familie en je omgeving je daar wel toe. Dat gaat zo onzachtzinnig, dat slechts weinigen er zich aan kunnen of durven onttrekken.

Gelijke behandeling

Andere godsdiensten hebben er, met uitzondering wellicht van de sikh met zijn tulband en baard, niet of nauwelijks moeite mee om hun religieuze en culturele overtuigingen hoofdzakelijk binnen het privédomein uit te leven. Zo niet de islam. Het is die religieuze en sociale intolerantie en geestdrijverij ten aanzien van de eigen groep en zelfs van de andersdenkende meerderheid, waaraan de politietop nu op aanraden van Elatik wil toegeven.

Dat is op zichzelf al een slechte zaak, al was het maar omdat het islamitische gedachtegoed op heel wat punten haaks staat op wat we in Nederland als fundamentele rechten en verworvenheden beschouwen. Verworvenheden als dat het ieder vrij staat om zijn of haar privéleven naar eigen overtuiging en goeddunken in te richten, maar dat iedereen ten aanzien van de overheid op een gelijke behandeling moet kunnen rekenen.

Gelijke behandeling, de kern van de Nederlandse democratische rechtsstaat en daarom het centrale punt van artikel 1 van de grondwet, heeft twee kanten. Aan de ene kant betekent gelijke behandeling dat de overheid handelt zonder aanzien des persoons. Een ambtenaar, agent of rechter mag zich in zijn professionele bezigheden als belichaming van het gezag niet laten beïnvloeden door of uw kop hem of haar wel aanstaat, dan wel uw kittige rokje of hoofddoek – regels zijn regels, wet is wet. De tweede, vaak onderbelichte kant ervan is dat diezelfde ambtenaar, agent of rechter ook zijn eigen persoonlijke opvattingen thuis dient te laten. Wat hij op morele, ethische of religieuze gronden vindt, mag in zijn beroepspraktijk evenmin ter zake doen. U heeft in contact met de overheid niet te maken met een particuliere persoon, maar met een onpartijdige vertegenwoordiger van het staatsgezag. Dat is de reden dat rechters, politieagenten en militairen een uniform dragen: het depersonaliseert ze en geeft zo uiting aan hun positie als neutrale uitvoerder in dienst van het openbaar gezag en de wet.

Dat alleen al is een hele kluif voor de betrokkenen. Theodor Holman verhaalde op 17 mei 2017 in het Parool nog indringend over een discussie onder rechters over hoe lastig het is om je morele en religieuze opvattingen aan de kapstok te hangen voordat je de zittingszaal of raadkamer betreedt. Maar in het geval van politie en leger is het om nog een tweede reden dubbel zo belangrijk.

Geweldsmonopolie

Behalve belichamers en handhavers van het staatsgezag zijn politie en leger ook houders van het geweldsmonopolie. Zij en zij alleen hebben het recht en de opdracht om de rechtsstatelijke democratische orde desnoods gewapenderhand te handhaven en te verdedigen. Maar daardoor vormen ze tegelijkertijd de grootste directe bedreiging van de rechtsstatelijke orde. Wanneer politie en leger niet absoluut loyaal zijn aan het bevoegd gezag, is het met gezag, democratie en burgerrechten gauw gedaan. Voor je het weet zit je dan met een junta, met alle gevolgen van dien.

Dat is geen vergezochte flauwekul. Geslaagde machtsgrepen kwamen in het recente verleden alleen al binnen Europa voor in Griekenland (1967), Portugal (1974) en Polen (1980), en bijna kwam het ervan in Frankrijk (Algerije-crisis begin jaren zestig) en Spanje (luitenant-kolonel Tejero’s mislukte coup in 1981). Laten we ook de miljoenen doden kostende staatsgreep van Soeharto in onze ex-kolonie Indonesië in 1965 niet vergeten en die van de toenmalige sergeant Bouterse in Suriname in 1980, beide geleid en uitgevoerd door mensen met een keurige Nederlandse opvoeding. Dat zijn alleen al in landen waar wij rechtstreeks mee te maken hebben tenminste zeven ontsporingen van de gewapende uitvoerende macht in vijftig jaar tijd.

Padvindersinsigne

Met de loyaliteit van politie en leger valt daarom niet te marchanderen, voor geen millimeter. De loyaliteit en gehoorzaamheid aan de staat en de wet van agent en soldaat dient totdat de staat zelf definitief ontspoort absoluut te zijn. Agent en soldaat dienen hun loyaliteit en hun neutraliteit ook op niet mis te verstane wijze uit te dragen, niet alleen naar de burgermaatschappij, maar misschien nog wel eerder naar zichzelf en elkaar. Het uniform is daarvan de zichtbare uiting: nee, ik ben geen meneer of mevrouw, niet rechts en niet links, geen anarchist of dominee, ik dien uitsluitend het staatsgezag.

Daarom is een gebroken geweertje op het uniform van een soldaat of agent ondenkbaar. Dat geweertje is een uiting van een morele persoonlijke opvatting die strijdig is met de opdracht van de soldaat. Net zo min “kan” een ban-de-bomteken, een hamer-en-sikkelspeldje, een regenboogvlag, een buitenlandse vlag of de PVV-meeuw, om maar eens wat te noemen. Zelfs geen padvindersinsigne mag twijfel doen ontstaan aan de toewijding van de geüniformeerde aan het staatsgezag. En zo is het ook met de hoofddoek, die nota bene gedragen wordt op last van een religieus gedachtegoed met uitdrukkelijke wereldlijke regels en ambities dat in essentiële opzichten spot met veel dat de hedendaagse Nederlandse rechtsstaat heilig is.

Keuzevrijheid

Moslima’s die er, zoals een zwaar gehoofddoekte juffrouw het op 18 mei bij Pauw nota bene bagatelliserend uitdrukte, “alleen maar anders willen uitzien” door een hoofddoek te dragen, staat dat uiteraard vrij. Maar die keuze heeft, zoals alle keuzes die men in het leven maakt, wel consequenties. Keuzevrijheid impliceert nu eenmaal geen keuzevrijblijvendheid. Zij geven er de voorkeur aan om op zijn minst de suggestie te wekken dat hun eerste loyaliteit niet bij de Nederlandse staat en zijn wettelijk gezag ligt, maar bij hun islamitische geloofsopvatting of de etnische groepering waartoe ze behoren. De boodschap is: “Garantie tot de hoek van de straat! Ik ben wel politieagent, maar als puntje bij paaltje komt, dien ik niet de staat, maar gaat mijn geloof voor.” Dat is ontoelaatbaar. Gaat het dragen van die hoofddoek voor zo’n vrouw boven alles, dan betekent dat dat er voor haar geen plaats is achter welk bureau binnen leger en politie (en ook de rechterlijke macht) ook, laat staan achter een dienstwapen.

Dat de Amsterdamse commissaris Aalbersberg dat niet blijkt te begrijpen, maakt hem feitelijk ongeschikt voor zijn functie, zeker als hij een duurzame en hoogwaardige diverse samenleving wil helpen realiseren.