Artikelen

De wolf en de taal van de dood

Foto door christels van Pixnio

Dieren hebben in de afgelopen decennia flink aan status gewonnen en worden veel uitgebreider beschermd dan voorheen, deels als gevolg van culturele veranderingen, deels ook dankzij actieve, soms fanatiek activistische lobbyclubs. Die ontwikkeling weerspiegelt zich in de steeds menselijker termen waarin we over dieren en hun dood praten, en wordt erdoor versterkt. Dat klinkt nobel maar het dier is er niet bij gebaat.

 “Opnieuw lijkt er een wolf te zijn vermoord in Nederland”, tweette actiegroep Animal Rights op 29 september, en loofde meteen maar een beloning van 5.000 euro uit voor “de gouden tip die leidt naar de arrestatie en veroordeling van de dader(s)”. Drie dagen later meldde het Radio1 journaal dat een vinvis die bij West-Kapelle was aangespoeld reeds was “overleden”, en op 7 oktober kopte AT5: “Drie honden overleden rond Heemstedestraat, mogelijk vergiftigd.” Door het gebruik van de gewoonlijk alleen voor mensen gebezigde begrippen vermoorden en overlijden klonken die uitspraken ietwat ongemakkelijk. Toch hoor je ze de laatste tijd steeds vaker. Dat is van belang, want het gaat niet om taalkwezelarij à la taartje tegenover gebakje en patat versus friet. Woorden doen er in deze gevallen toe, omdat ze behalve betekenis ook een morele en ideologische lading hebben. Daardoor hebben ze concrete, mogelijk funeste gevolgen voor dieren en hun welzijn.

Eerst maar de talige kant van de zaak. De betekenis van woorden in het woordenboek in ons hoofd is een kwestie van consensus binnen onze taalgemeenschap, bijgekleurd door persoonlijke ervaringen. Die consensus is van levensbelang om elkaar te kunnen verstaan en begrijpen. Van misverstane of verkeerd gebruikte woorden komen misverstanden, met maar al te vaak ruzies en ongelukken als resultaat. Dat is waarom mensen, vaak zonder dat ze zich daarvan erg bewust zijn, in de dagelijkse omgang hechten aan correct taalgebruik en een betrekkelijke hekel hebben aan “moeilijke woorden”, neologismen en onconventioneel woordgebruik. Zelfs de altijd dwarse, anticonventionele jeugd staat op correct taalgebruik, denk maar aan de dodelijke ernst waarmee jongeren-slang gehandhaafd wordt. Wie niet recht genoeg is in de leer en een paar keer iets “cool” noemt dat “chill” of “ziek” moet heten, ligt er zó uit bij de peergroup.

Kakkies, obat en soebatten

Aan de andere kant hoeft de consensus over de betekenis van een term gelukkig niet volledig te zijn. Dat zou zelfs niet kunnen. Woordbetekenis is fluïde en weinig scherp begrensd, meer een wolk van associaties dan een strak opgebouwd woordenboeklemma. Omdat we grotendeels leren door ervaring, is die wolk voor een willekeurig woord bij de een ook groter en anders van samenstelling dan bij de ander. Iedereen “kent” bijvoorbeeld tegenwoordig het begrip algoritme, maar voor de een betekent het iets vagelijk bedreigends en gevaarlijks van de kant van de overheid en grote bedrijven, een ander denkt dat met algoritmes nuttige digitale administratieve hulpmiddelen bedoeld worden, en weer een ander weet dat het gaat om strikt mechanische en transparante beslisprocedures die gegarandeerd in een eindig aantal stappen een uitkomst geven. Daar snapt een vierde dan weer helemaal niks van, voor hem is de betekeniswolk van algoritme leeg. Al die  invullingen zijn tot op zekere hoogte – maar niet dezelfde – juist en waar. Net zo betekent het begrip moeder voor iemand uit een welvarend, harmonisch gezin iets heel anders dan voor slachtoffers van een vechtscheiding of voor iemand die al vroeg wees werd.

Dat tussen mensen toch een zinvol gesprek mogelijk is, komt doordat er meestal wel voldoende raakvlakken zijn tussen ieders woordbetekenissen. In de wandeling corrigeren we als hoorder een verkeerd gebruikt woord dan ook vaak automatisch en onbewust. En als we het woord nog niet kenden, nemen we het met verkeerd gebruik en al in onze woordenschat op. Als iemand zo’n misbegrepen woord actief blijft gebruiken, kunnen anderen het overnemen en verder verspreiden, tot het misverstand gecanoniseerd raakt. Dan zeggen we dat de betekenis van dat woord veranderd is. Een goed recent voorbeeld van dat proces is soebatten, dat uit het Maleis van Nederlands-Indië stamt. Soebatten betekent smeken. Maar met het nu bijna voltooide uitsterven van de oud-Indischgasten verdween ook zoetjesaan de kennis van Indische begrippen als kakkies (voeten), obat (medicijn) en soebatten, tot soebatten een aantal jaren geleden dankzij iemand die de klok had horen luiden bij vergissing nieuw leven ingeblazen kreeg als “eindeloos pietluttig onderhandelen”. Dat sloeg aan, en nu hoor je niet anders meer. Hoezeer het sommigen ook pijn aan de oren doet, dit is gewone taalontwikkeling.

Gestorven zwaan

Het wordt anders als traditionele woordbetekenissen worden opgerekt. Dan weerspiegelt veranderend woordgebruik nogal eens een culturele omslag. Daarvan is overlijden op twee manieren een goed voorbeeld. Overlijden maakt deel uit van het palet van woorden dat het  levenseinde beschrijft, naast sterven, doodgaan, omkomen, om het leven komen, sneuvelen en een hele reeks specifiekere (verdrinken, stikken) en kleurrijker termen die hier niet ter zake doen. Doodgaan en sterven zijn het neutraalst, met dien verstande dat sterven goeddeels is voorbehouden aan bomen, hogere dieren en mensen, en op bomen en dieren alleen van toepassing is zolang het proces nog gaande is. “Heimelijke gelieven troffen elkaar vaak onder de stervende eik” klinkt mooi romantisch, maar “…onder de gestorven eik” klinkt raar. Dat geldt ook voor de stervende zwaan. Die eindigt normaal gesproken als dode, niet als gestorven zwaan. Nog raarder is het om op de vensterbank een gestorven vlieg aan te treffen, op straat een gestorven slak of in de bek van Poekie de kat een gestorven muis. In al die gevallen gebruiken we dode. Fictie en overdrachtelijk gebruik daargelaten zijn overlijden, heengaan, ontslapen en sneuvelen voorbehouden aan mensen. Sneuvelen doen alleen militairen, partizanen en andere combattanten, en alleen als onmiddellijk gevolg van gevechtshandelingen. Bij elke andere ongevraagde, van buitenaf veroorzaakte dood is omkomen of om het leven komen de geëigende term, ongeacht of die oorzaak nu een verkeersongeluk, een bombardement, gif, honger of nog iets anders is, ook bij dieren trouwens. Het sterkst beperkt zijn overlijden, heengaan en ontslapen, die altijd menselijk sterven aan een natuurlijke oorzaak aanduiden, inclusief ziektes en al wat langer bestaande verwondingen, meestal in een bed en zonder drang of dwang van buitenaf. Euthanasie op verzoek is een oorzaak van overlijden, maar ongevraagde of gedwongen euthanasie heet moord. 

In de afgelopen jaren werd de betekenis van overlijden evenwel op twee manieren opgerekt en vervaagd. Zo is het tegenwoordig niet gek meer om op de radio te horen dat bij een brand, ongeluk of aardbeving zoveel personen overleden zijn, waar dat eerder nog omgekomen heette. Het lijkt dat in onze steeds risicoschuwer wordende cultuur een taboe op de onnatuurlijke dood aan het groeien is, waarbij alles verdoezeld wordt onder de vriendelijkste en huiselijkste, meest versluierende term overlijden, zoals de ouderwetse handicap en afwijking al eerder werden vervangen door en toegedekt onder het vriendelijker, algemenere begrip beperking.

Dit artikel lees je gratis. Als het bevalt kun je onderaan een kleine bijdrage doen, zodat ik dit soort artikelen kan blijven schrijven

De tweede verbreding van de dekking van overlijden heeft te maken met het uitdijen van wat de Australische filosoof Peter Singer de “morele kring” noemt, de verzameling van individuen en groepen die wij als gelijkwaardig aan onszelf en beschermwaardig beschouwen. Kort gezegd: de “wij” waar “zij”, alle anderen, niet toe behoren. Ooit omvatte die kring alleen de leden van de eigen familie, stam of clan – de Bijbelse naasten, die we lief moesten hebben gelijk onszelf. Maar allengs breidde die kring zich uit tot alle stand-, land- en rasgenoten, en uiteindelijk, in deze tijd van verlichting en mensenrechten, de mensheid als geheel – het gelijkheidsbeginsel is daar de concretisering van. En zelfs daar bleef het niet bij. In de afgelopen decennia overschreed ons gevoel van morele verbondenheid voor velen zelfs de grenzen van de soort, en is het zich gaan uitstrekken over eerst huisdieren, en vervolgens ook over andere tot de verbeelding sprekende diersoorten, vooral primaten en boerderijdieren. Die uitbreiding zien we terug in het gebruik van vermenselijkende termen als overlijden voor vinvissen, hondjes en andere dieren, deels als onbewuste weerspiegeling van een culturele lange-termijntrend, deels bewust, uit ideologische motieven.   

Rolo-olifant

Ideologische motieven staan voorop in het geval van de schijnbaar vermoorde wolf. Moorden is iemand opzettelijk van het leven beroven, met het sterven van het slachtoffer als doel. Moord is letterlijk doden om het doden, het is niet instrumenteel, zoals doden om te eten, of om het vege lijf te redden, een dreiging af te wenden, iets te beschermen of iemand te bestraffen. Instrumenteel doden is doden om iets te bereiken of te verwerven. Dat noemen we wel eens losjes moord, maar dat is het niet, net zo min als doden om een einde aan uitzichtloos lijden te maken dat is. Voor instrumenteel doden hebben  we een hele reeks andere, heel specifieke termen, zoals slachten, afmaken, liquideren, uit de weg ruimen, ombrengen, om het leven brengen, laten inslapen, uit zijn lijden verlossen, ruimen, terechtstellen en executeren. Zelfs redeloos doden in blinde razernij telt niet echt als moord. Dat blijkt wel bij de rechter, waar het doodslag heet of dood door schuld, vroeger ook wel crime passionnel. Dat wordt allemaal minder zwaar bestraft dan moord.

Bij moord moet iemand gewoon dood, einde verhaal. Als er daarbij al sprake is van een achterliggend motief, dan is het genoegdoening, wraak of sadisme. Juist die uiterst  abstracte drijfveren maken moord tot een typisch menselijke activiteit. Dieren doden altijd instrumenteel, de dood van een slachtoffer is nooit doel op zich. Zelfs bij doden om te eten is het doden slechts een onvermijdelijke bijkomstigheid, dieren vreten elkaar doodgemoedereerd levend aan en op. Ze vereffenen onderling ook geen openstaande rekeningen, omdat er geen rekeningen zijn, of misschien hoogstens een beetje bij bonobo’s en chimps. Dieren zijn nu eenmaal niet wraakzuchtig – op de eertijds beroemde Rolo-olifant na, maar die was dan ook een menselijk verzinsel. Sadistisch moorden, mishandelen en doden voor de kick, zoals dierenbeulen doen, komt onder dieren ook niet voor. Moordenaars zijn daarom bijna zonder uitzondering mensen.

Kindersadisme

Dat laatste geldt ook voor de slachtoffers van moord. Je kunt bijvoorbeeld geen wraak nemen op een dier. Wraak werkt pas als slachtoffer én dader beseffen dat er wraak genomen wordt, en een dier snapt daar niets van. Voor dat besef zijn immers twee dingen nodig. Het eerste is een besef van toekomst en van de eindigheid van het eigen leven, en dat hebben dieren niet. Het tweede is het vermogen om je in de ander te verplaatsen, ofwel een theory of mind. Daarover beschikken maar een paar diersoorten, en dan nog maar in heel beperkte mate. Bijgevolg ervaart een dier geen wraak, maar onbegrijpelijke straf.

Mensen doden dieren trouwens vrijwel nooit om het doden alleen. Bij kindersadisme als het uittrekken van pootjes en vleugels gaat het eerder om experimenteerdrang dan om de lust tot doden. Ook dierenmishandeling draait niet zozeer om doden als wel om het moedwillig veroorzaken van leed en pijn. Dat is wel gestoord, maar dus geen moord.

Jacht op de “Big Five”

Er lijkt maar één uitzondering te zijn op de regel dat zowel de daders als de slachtoffers van moord mensen zijn: de plezierjacht op zeldzaam groot wild, met als bekendste exponent de jacht op de “Big Five”. Gewone plezierjagers hebben het voorzien op  patrijzen, ganzen, wilde zwijnen of reeën en rechtvaardigen  hun tijdverdrijf steevast als een kwestie van wildstandsbeheer en het oogsten van hoogwaardige poelierswaren. Over de morele kwaliteit van die motieven valt eventueel te twisten, over de aanwezigheid ervan niet. Maar bij de moderne, vaak illegale, jacht op leeuwen, tijgers, giraffen en dergelijke gaat het uitsluitend om het doden zelf, dat steevast bewezen moet worden met een foto of een trofee. En doden om het doden zelf, door mensen, dat is moord.

Zo zien we dat woordbetekenissen de werkelijkheid om ons heen behoorlijk nauwkeurig en genuanceerd weerspiegelen. Wie beweert dat een wolf “vermoord” werd, gaat daaraan bewust voorbij, en vervangt de realiteit door een eigen “wenswerkelijkheid”, een ideologisch gemotiveerd droombeeld. De bedoeling daarvan is dat anderen die ideologisch gemotiveerde voorstelling van zaken overnemen, opdat ze op den duur als de werkelijkheid gezien en als norm aanvaard wordt, met alle gevolgen van dien.

Vermenselijking

In dit geval is het belangrijkste en door dierenzaakwaarnemers als Animal Rights ook gewenste gevolg de verdere vermenselijking van het dier. “De mens is een dier”, blafte een boze supporter van Animal Rights me toe toen ik erop wees dat moord op mensen van toepassing is, maar niet op wolven.  Dat mag zo zijn, maar dat betekent nog niet dat het dier een mens is of een soort mens, en ook niet dat het gelijk of zelfs maar gelijkwaardig is aan een mens.

Hoe ver die ongefundeerde gelijkstelling van mens en dier voor sommigen gaat bleek op 17 oktober wel uit de al even gebeten reactie van twitteraar Bart Feikens op twijfels die waren geuit over zowel de wenselijkheid als de haalbaarheid van loslopende wolven in ons drukke parklandschap: “Wat de tegenstanders van de wolf in NL maar niet lijken willen te begrijpen is dat de wolf zijn leefgebied bepaald (sic), niet wij de mens Dat is klinkklare nonsens. De wolf gaat waarheen hij wil, maar alleen totdat hij op een door mensen gemaakt hek of een door mensen bediend geweer stuit. En dan wint de mens. Altijd. Het is niet voor niets dat de dieren in Artis in de hokken zitten en niet achter de kassa.

Bijbels rentmeesterschap

Duizenden jaren geleden bestond er een gelijk speelveld tussen mens en dier, maar tegenwoordig heeft de mens een even onmiskenbaar als fundamenteel machtsoverwicht. In de praktijk is een dier dat het pad van de mens kruist voor zijn voortbestaan niet alleen individueel, maar vaak zelfs als soort volledig van de luimen van de mens afhankelijk. Het is juist die scheve verhouding die ons een morele verplichting jegens dieren oplegt, het bijbelse rentmeesterschap. Er is niets op tegen dat de mensheid dieren benut en consumeert, dat doen dieren onder elkaar ook. Maar onze overmacht noopt wel tot terughoudendheid. Het is onze morele verantwoordelijkheid dat de in wezen weerloze dieren binnen onze invloedssfeer zo min mogelijk overlast van ons ondervinden, al blijft het aan ons als machtigste partij om te bepalen wat “zo min mogelijk” inhoudt.

We kunnen die verantwoordelijkheid alleen waarmaken als we het dier als dier erkennen en waarderen, iets waaraan vermenselijking juist in de weg staat. Dat heeft de Nederlandse wetgever, die in de Wet Dieren sinds 2013 de intrinsieke waarde van het dier tot uitgangspunt neemt, beter begrepen dan menige al dan niet activistische dierenvriend. Die stellen veelal juist hun eigen, menselijk sentiment centraal, gekoppeld aan een romantisch, Rousseauiaans waanbeeld van de natuur. In de natuur komen maar weinig dieren vreedzaam en waardig aan hun eind. Verreweg de meeste leggen op gruwelijke manieren het loodje. Door pijnlijke ziektes en verwondingen en geplaagd door parasieten, of omdat ze levend en alert worden aan- en opgevreten door andere dieren. Of doordat ze bij vol bewustzijn in een duister inferno vol bijtend en brandend maagzuur langzaam worden opgelost, zoals de rat overkwam die ik onlangs door een reiger verschalkt zag worden. Bij dat alles vergeleken is de dood van dieren in de slachthuizen van de westerse bio-industrie alleszins humaan te noemen, wat niet wegneemt dat daar veel te verbeteren valt.

Wie beweert dat wolven vermoord worden en vinvissen of honden overlijden, vermenselijkt dieren even hard als wie zijn hond sokjes aantrekt, zijn kat veganistisch wil heropvoeden en circussen en dierentuinen wil verbieden enkel omdat dieren daar niet vrij zijn om te gaan en staan waar ze willen. Koude voeten, vlees eten en vrijheidsbeperkingen zijn veel moderne westerse mensen een gruwel. Wat dieren er zelf van vinden, vergeten hun zaakwaarnemers ze te vragen. Hun enig richtsnoer is de mensenmoraal, en daarmee doen ze het dier ernstig tekort.

Waardeer dit artikel!!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Je kunt me ook met een vast per bedrag per maand steunen: klik dan hier. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.

Mijn gekozen donatie € -